Piet Adema
minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit · Netherlands
“Ik kreeg van mevrouw Van der Plas de vraag over de roadmap, de strategische aanpak van de vogelgriep, en in hoeverre de maatregelen die daarin staan effect hebben op het bestrijden van vogelgriep. Wij weten niet wat individuele maatregelen voor effect hebben op het bestrijden van de vogelgriep.”
“Dan de motie op stuk nr. 587, ook van de heer De Groot. Hij verzoekt de regering om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te stoppen. De verordening voorziet in de beoordeling van risico's van de uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar het grondwater.”
“De motie van de heer Bisschop vraagt eigenlijk om vrijstellingen te geven om daarmee een gelijk speelveld te creëren. In de basis zijn er verbodsbepalingen in Europa, die gelden voor heel Europa. Dat is het gelijke speelveld. Er zijn soms landen die om bepaalde redenen een vrijstelling geven.”
“Het was overigens een vraag en geen motie, voor zover ik het kan overzien. Dan de vraag van de heer Van Campen over CRISPR-Cas. Hoe lang duurt het voordat dat gebruikt kan worden door telers? U gaf zelf ook al aan dat er in het tweede kwartaal van 2023 een verordening komt voor de toepassing van CRISPR-Cas. Dan duurt het nog even.”
“Overigens worden er, meneer De Groot, ook in blessuretijd soms mooie doelpunten gemaakt. Dat doelpunt wil ik ook maken. Dan gaan we naar de motie van Beckerman, Van Campen en Grinwis op stuk nr. 589. Mooi, zegt mevrouw Beckerman.”
“Dan ga ik naar motie op stuk nr. 588, ook van de heer De Groot. Die gaat over de deadline van de toezegging over glyfosaat die ik in de commissievergadering heb gedaan.”
The complete record
Every one of 51 lines we hold for Piet Adema, in date order, each linked to its source. Free to read, in full, without an account. Page 1 of 2.
“Dat is de motie van mevrouw Van der Plas over de gesloten teeltsystemen. Er wordt heel goed werk verricht bij de gesloten teeltsystemen, in kassen, maar het kan altijd nog een tandje beter. Bij de inzet in Europa vraag ik juist ruimte voor de gesloten teeltsystemen, zodat die inzet ook goed wordt meegenomen in de verordening. Omdat het wel erg aansluit bij wat u zegt, wil ik in dit geval oordeel Kamer geven.”
“De motie van de heer Bisschop vraagt eigenlijk om vrijstellingen te geven om daarmee een gelijk speelveld te creëren. In de basis zijn er verbodsbepalingen in Europa, die gelden voor heel Europa. Dat is het gelijke speelveld. Er zijn soms landen die om bepaalde redenen een vrijstelling geven. Het kan zijn dat dit in Oostenrijk gebeurt, maar dat is een andere situatie dan wanneer we dat hier doen. Het kan soms wel een bijdrage leveren. Als het gaat om het oplossen van zo veel mogelijk actuele vraagstukken, dan kan soms in een bijzonder geval een vrijstelling een oplossing bieden. Het afgeven van een vrijstelling, in tegenstelling tot de verbodsbepaling, geeft per definitie geen gelijk speelveld maar juist een ongelijk speelveld. Om een vrijstelling te kunnen geven, dient er altijd een landbouwkundige noodzaak en een veilig gebruik voor mens, dier en milieu te worden vastgesteld. In Nederland gaat dit langs de NVWA en het Ctgb. Ik vraag altijd advies aan deze organisaties. Zij kunnen eventueel ook de vrijstelling geven. Deze lijn houd ik vast.”
“Zoals u weet, zijn we met de Kaderrichtlijn Water bezig en dat is van heel veel factoren afhankelijk. Of wij de Kaderrichtlijn Water halen in 2027 gaat om veel meer dan alleen dit punt. Laat ik er volstrekt helder in zijn dat onze doelstelling — dat kan ook niet anders — vanzelfsprekend is dat wij de Kaderrichtlijn Water gaan halen, met de doelstellingen die we hebben als kabinet.”
“U geeft een kwalificatie aan die stoffen. Deze stoffen worden getoetst op de meest kwetsbare waterorganismen. Dat is het uitgangspunt. Met dat uitgangspunt hebben we de scherpste grens te pakken. Daarom kan ik niet anders zeggen dan: nogmaals, het toetssysteem zit robuust in elkaar en wij kunnen niet elke stof op elke locatie op elk waterorganisme gaan testen. Dit is echt getest op de meest kwetsbare waterorganismen.”
“De appreciatie van de motie op stuk nr. 593 over niet-toetsbare stoffen is: ontraden. We hebben uw Kamer recent geïnformeerd over de onmogelijkheden om niet-toetsbare stoffen te verbieden. Het Ctgb beoordeelt voor de toelating of alle gewasbeschermingsmiddelen bij gebruik volgens voorschrift voldoen aan het toelatingscriterium voor oppervlaktewater ter bescherming van waterorganismen. Het toetssysteem is robuust en zit goed in elkaar. We kunnen echt niet toetsen met elke werkzame stof op elk waterorganisme op alle locaties. Dat wordt heel lastig. Overigens, bij de gerapporteerde structurele overschrijdingen van het toelatingscriterium van werkzame stoffen kan het Ctgb ingrijpen in de toelating daarvan.”
“Sorry, mevrouw de voorzitter. Ik ga wat te snel. Dat is de motie van Vestering, Graus, Bromet en Thijssen over het verbieden van het gebruik van middelen op basis van giftige niet-toetsbare stoffen. Overigens heb ik iets verzuimd. Er is een terechte opmerking gemaakt over de brief die hier op het allerlaatste moment is binnengekomen. Daar is ook zonet door uw voorganger over gesproken en de uitspraak is gedaan dat dat niet goed is. En dat is ook niet goed. Ik moet wel zeggen dat ik daar zelf ook debet aan ben geweest, want de vraag aan mij was: ga je 'm nog versturen of ga je 'm niet versturen? Nou, ik heb gezegd: verstuur 'm nou toch maar. Dus u kunt deze minister, zoals altijd natuurlijk, voor al het beleid verantwoordelijk houden, maar zeker ook hiervoor. Het is een persoonlijke keuze van mij geweest om het wel te doen. Maar de boodschap is helder: we moeten op tijd zijn met het versturen van brieven.”
“Dan heb ik de motie van de heer Bisschop.”
“Ik zeg niet dat ik tegen ben. Ik zeg dat ik voor de verlenging ben. Vervolgens vind ik het belangrijk dat er versneld wordt herbeoordeeld en dat daarbij ook alle wetenschappelijke inzichten worden meegenomen. Dan gaan we kijken wat er uitkomt. Het is een bestendige lijn — uw Kamer wil dat, volgens mij, ook graag — dat er ook breder wordt gekeken naar onderzoeken. Die lijn volgen we vanzelfsprekend. Die boodschap wordt overgebracht in Europa. Dat is de situatie. Die verlenging komt eraan en vragen om de versnelde herbeoordeling is echt wat anders dan tegenstemmen. Het is dus echt zo dat vragen om die verlenging en versnelde herbeoordeling wat anders is dan tegenstemmen. Eerst moeten die herbeoordeling en het onderzoek, met gebruikmaking van alle wetenschappelijke inzichten, ordentelijk plaatsvinden. Daarmee verbreden we het. Dat is een bestendige lijn en die houd ik vast.”
“Wij gaan niet tegenstemmen. We hebben gezegd dat wij voor de verlenging van de toelating van glyfosaat gaan stemmen. Dat is een consistente lijn en die hebben we tot nu toe steeds gehanteerd. Bij die lijn blijf ik ook. Nogmaals, stemmen voor de verlenging geeft ons ook de mogelijkheid daarbij aan te geven dat er versneld moet worden gekeken naar een herbeoordeling en dat er ook gekeken moet worden naar al het wetenschappelijk onderzoek. Dit is een bestendige lijn en die houd ik vast.”
“Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 592. Dat is dezelfde motie als de motie die ook al bij de behandeling van de motie van de heer Tjeerd de Groot aan de orde is geweest. Die gaat over het tegenstemmen bij de verlenging van de toelating van glyfosaat. Dat heb ik net bij de motie op stuk nr. 586 behandeld. Ook hier is de appreciatie: ontraden.”
“Dan heb ik de motie op stuk nr. 591, ingediend door Bromet, Thijssen en Vestering. Die motie gaat over het beprijzen van de milieuschade. Het inzetten van economische prikkels rondom de inzet van heffingen is onderdeel van het uitvoeringsprogramma. Ik zal dit onderzoek dus uitzetten. De motie krijgt wat mij betreft oordeel Kamer.”
“Het klopt dat de Europese verordening onderweg is. In de Europese verordening gaat het ook over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in natuurgebieden en in de omgeving van natuurgebieden. Daar worden voorwaarden aan gesteld. Ik stel voor om daarbij aan te sluiten, want dat past het beste.”
“Dan de motie op stuk nr. 590 van Bromet, Thijssen en Vestering om in het voorjaar met een aanpak te komen om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in natuurgebieden te verbieden conform de Europese richtlijn. We zijn op dit moment bezig met de Europese verordening om te komen tot een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hier staan ook heel concrete voorstellen in om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in en in de directe nabijheid van natuurgebieden te voorkomen. Deze verordening wordt straks direct van kracht, waardoor het niet meer nodig is om nationale wet- en regelgeving aan te passen. Ik stel voor om deze motie daarom aan te houden.”
“Overigens worden er, meneer De Groot, ook in blessuretijd soms mooie doelpunten gemaakt. Dat doelpunt wil ik ook maken. Dan gaan we naar de motie van Beckerman, Van Campen en Grinwis op stuk nr. 589. Mooi, zegt mevrouw Beckerman. Alle onderzoeken die over parkinson gaan en alle publicaties die daarover worden uitgebracht, houden ons allemaal bezig. U wilt een onderzoek laten doen door Nederlandse wetenschappers en het RIVM om te kijken wat de effecten zijn op het aantal parkinsonpatiënten. Op basis van het coalitieakkoord ga ik al een blootstellingsonderzoek laten doen. Naar aanleiding van uw motie wil ik daarnaast ook onderzoek laten verrichten, maar dat is wel een bepaald type onderzoek, bijvoorbeeld een review van de meest actuele literatuur van neurologische aandoeningen. Dat type onderzoek willen we gaan doen, zodat wij een beter beeld hiervan krijgen. Ik heb daar de laatste tijd veel over gelezen en ik ben daar ook veel op aangesproken. Het is dus ook een zorg van mij. In die zin geef ik de motie oordeel Kamer.”
“Dan ga ik naar motie op stuk nr. 588, ook van de heer De Groot. Die gaat over de deadline van de toezegging over glyfosaat die ik in de commissievergadering heb gedaan. Zoals ik in de commissievergadering heb aangegeven, wil ik met de sector komen tot een aanpak om glyfosaat te voorkomen bij grasland resetten en vanggewassen en om naar alternatieve middelen te zoeken. Ik begrijp de motie. Natuurlijk moet er een moment zijn waarop die toezegging geëffectueerd wordt. Dat begrijp ik heel goed. Maar ik heb nog niet een inhoudelijk zwaar gesprek gevoerd met de sector. Ik wil u graag vragen om deze motie aan te houden. Ik probeer om in het eerste kwartaal van volgend jaar te komen tot afspraken met de sector, zodat we die ook aan u kunnen terugkoppelen. Ik wil dan ook met de sector praten over de deadline. Ik zou u dus willen vragen om de motie tot dat moment aan te houden. Vanzelfsprekend zal ik u daar ook over informeren. Dan kunt u zelf de afweging maken om de motie wel of niet alsnog in stemming te brengen.”
“Ik kan dat natuurlijk nooit garanderen. Ik kan niks garanderen in die zin; dat is logisch. Dat kunt u ook niet van mij vragen, denk ik. Maar er is alles aan gedaan om grondwatergebieden te beschermen. Het Ctgb heeft er in zijn aanpak ook al voor gezorgd dat er minder bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn. Er wordt dus al van alles aan gedaan om grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen, om het drinkwater te beschermen. Die strengere normen zijn er niet voor niks. Maar als u vraagt wat u vraagt, dan overvraagt u mij. Ik kan dat niet garanderen, vanzelfsprekend.”
“Daarom vraag ik u eigenlijk om deze motie aan te houden, anders zal ik haar moeten ontraden.”
“Dan de motie op stuk nr. 587, ook van de heer De Groot. Hij verzoekt de regering om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te stoppen. De verordening voorziet in de beoordeling van risico's van de uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar het grondwater. Het Ctgb hanteert voor de grondwaterbeschermingsgebieden al strengere normen op dit moment, juist om drinkwater te beschermen. De staatssecretaris van IenW en ikzelf verkennen op dit moment wat er voor de KRW-doelen, de Kaderrichtlijn Waterdoelen, extra moet gebeuren. Daar gaan we ook actie op ondernemen. Daarnaast komt de Verordening duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen eraan, die eveneens rekening houdt met de zogenoemde gevoelige gebieden. Als ik nu zou doen wat de motie vraagt, moet ik nu al nationale regelgeving aanpassen, terwijl er inhoudelijk op dit moment geen concrete aanleiding is, de verkenning bezig is en de Verordening duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen eraan komt, die de gevoelige gebieden regelt. Dan gaat het door elkaar heen lopen.”
“Sorry, mevrouw de voorzitter. Ontraden.”
“586, worden wij verzocht ons te onthouden van stemming rondom glyfosaat. Wij hebben al eerder aangegeven dat we dat niet willen omdat we willen dat er zo snel mogelijk een herbeoordeling plaatsvindt op glyfosaat. We willen dat daarbij alle wetenschappelijke inzichten die er zijn worden meegenomen om ervoor te zorgen dat die afweging zo breed mogelijk gemaakt wordt. Als wij ons onthouden van stemming zijn we niet meer in staat — dat is een Europese procedure — om die boodschap af te geven in Europa bij de stemming. Vandaar dat wij graag voor de verlenging willen stemmen, waarbij we deze nadrukkelijke stemverklaring meenemen in de stemming.”
“Het was overigens een vraag en geen motie, voor zover ik het kan overzien. Dan de vraag van de heer Van Campen over CRISPR-Cas. Hoe lang duurt het voordat dat gebruikt kan worden door telers? U gaf zelf ook al aan dat er in het tweede kwartaal van 2023 een verordening komt voor de toepassing van CRISPR-Cas. Dan duurt het nog even. Die verordening gaat natuurlijk de rondes in langs de lidstaten. Dat betekent dat we echt wel een paar jaar verder zijn, twee à drie jaar schat ik zomaar in. Dat duurt dus echt nog wel een tijdje. Overigens is het zo dat CRISPR-Cas op basis van de huidige wetgeving kan worden toegepast. Maar het is wel heel kostbaar om het op dit moment toe te passen. Vandaar dat we echt zitten te wachten op die nieuwe verordening, maar we hebben ook te maken met de Europese procedures. Helaas, want met u ben ik een warm voorstander van deze techniek. Die kan heel veel bieden, ook in het tegengaan van gewasbeschermingsmiddelen. Mevrouw de voorzitter. Dan kom ik bij de moties. In de allereerste motie, de motie op stuk nr.”
“Het lijkt een beetje alsof ik een plaat afspeel, maar het is toegestaan in Europa en het voldoet aan de toelatingscriteria. Dat is de stof. En als het middel ook aan de toelatingscriteria voldoet, laat de Ctgb het toe. Dat is de lijn zoals we die in Nederland hebben afgesproken. De Ctgb doet ook wetenschappelijk onderzoek en kijkt naar wetenschappelijke onderzoeken die er zijn gedaan naar de verschillende middelen. Op basis daarvan wordt er toegelaten. Dat geldt ook in dit geval. Dat is een bestendige lijn, die we hebben ingezet en die we al jarenlang kiezen. Dat doen we dus ook hier.”
“De basis voor de toelatingscriteria en het toelatingsbeleid van bestrijdingsmiddelen ligt erin dat wij vertrouwen hebben in de Ctgb, dat onderzoek voor ons doet en de toelating voor ons doet. Dat betekent dat wij het middel toelaten op het moment dat de Ctgb zegt dat het middel kan worden toegelaten. Dat is al jarenlang staand beleid.”
“Omdat de Ctgb ons adviseert om het middel toe te staan gezien de toelatingsvoorwaarden.”
“Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Allereerst het antwoord op de vraag van mevrouw Vestering van de Partij voor de Dieren over de stof difenoconazool. Dat middel is goedgekeurd en het voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Als het middel voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, laat de Ctgb het toe; dat kan niet anders. We hebben destijds wel tegengestemd, maar goed, het is goedgekeurd op Europese schaal en daar kunnen wij niet van afwijken.”
“Dat is de motie van de heer Bisschop op stuk nr. 277, over ervoor zorgen dat er afspraken worden gemaakt met waterbeheerders en de pluimveesector over het afstemmen van maai- en baggerwerkzaamheden. Dat moet echt lokaal gebeuren. Wij kunnen hier niet nationaal op gaan sturen, want er zijn te veel plekken, te veel gebieden en te veel situaties. Dit vraagt echt om lokale afstemming, en niet om rijksafstemming. Dit kunnen we niet voor onze kap nemen. Maar ik heb in het debat ook gezegd dat ik het belangrijk vind dat in die lokale setting de pluimveehouders en de waterbeheerders met elkaar in gesprek gaan en een en ander met elkaar afstemmen, om ervoor te zorgen dat we zo weinig mogelijk versleping krijgen en zo weinig mogelijk risico op vogelgriep. Dus ik ontraad ook deze motie, voorzitter. Volgens mij ben ik erdoorheen.”
“Ik heb dit ook gezegd in het debat dat we hierover hebben gehad. Het klopt wat u zegt, maar wel op de manier waarop ik dat net uitlegde aan de heer Van Kampen. We nemen het dus mee als een koppelopgave, als er situaties zijn waarin het een plek zou kunnen krijgen in het gebiedsproces en we bijvoorbeeld tot verdunning zouden kunnen overgaan. Dat is niet generiek; dat geldt niet voor alle situaties, want het is een meekoppelopgave en geen hoofdopgave van het NPLG. Dat is staand beleid bij LNV. Dat is wat anders dan wat er in de motie staat. Ik kijk even naar mijn collega. Het voorkomen van zoönosen zou fantastisch zijn, maar ik denk niet dat we dat in dit land voor elkaar krijgen. Daarin ging de motie echt te ver.”
“Dat is een terechte aanvulling. Het NPLG kent een aantal hoofddoelen. Dit is geen hoofddoel. Dat betekent dat het wordt meegenomen daar waar het mogelijk is om resultaten te boeken, maar het is geen hoofddoel van het NPLG. Dat is een wezenlijk verschil in de aanpak. Daarom noem ik het ook een meekoppelopgave. Als er ontwikkelingen zijn in een gebiedsproces waarbij ook eventuele zoönosen kunnen worden aangepakt, bijvoorbeeld door verdunning, zoals u net noemde, dan wordt dat meegenomen. Maar nogmaals: het is geen hoofddoel van het NPLG.”
“Nou, dit heeft alles te maken met ruimtelijk beleid. Het gaat om de dichtheid van veebedrijven. Wij hebben aangegeven — we hebben het namelijk al eerder in het debat daarover gehad — dat wij als wij toch met die gebiedsprocessen bezig zijn, die zoönosen ook gaan meenemen in die gebiedsprocessen, om te kijken hoe je in het ruimtelijk beleid bijvoorbeeld die verdunning zou kunnen aanbrengen. Op die manier zie ik deze motie: om het op die manier mee te nemen in het NPLG.”
“U zegt dat wij zoönosen moeten voorkomen door het mee het nemen in het NPLG. Daar vraagt u nogal wat: dat we zoönosen voorkomen. Het ontstaan van zoönosen kan verschillende oorzaken hebben. Dus u zegt eigenlijk: als u het meeneemt in het NPLG, dan komen er geen zoönosen meer voor. Die toezegging kan ik niet doen, en dat dictum kan ik niet oordeel Kamer geven. Maar op het moment dat u bijvoorbeeld zegt "zo veel mogelijk te voorkomen", zou ik dat mee kunnen nemen, en zou ik haar oordeel Kamer kunnen geven.”
“Dan de motie op stuk nr. 276, ook van Bromet en Thijssen, waarin de regering wordt verzocht om het voorkomen van zoönosen middels ruimtelijk beleid onderdeel te maken van het NPLG. Ik heb in het debat aangegeven dat we ook zoönosen gaan meenemen als een meekoppelopgave in het NPLG, om te kijken hoe we ook verdunning en dat soort zaken op een goede manier kunnen meenemen in het NPLG. Maar u vraagt hier blijkbaar om zulke draconische maatregelen dat we daarmee zoönosen gaan voorkomen. Dat kan ik niet waarmaken. Als u zegt "neem het mee als een meekoppelopgave, om daarmee zoönosen zo veel mogelijk te verminderen", dan zou ik de motie over kunnen nemen. Dit dictum moet ik ontraden.”
“Ik zou ook nu kunnen zeggen dat ik in het geval dat die motie wordt aangepast naar "verkennen", deze motie oordeel Kamer geef.”
“Ja, dat klopt. Dan heb ik motie op stuk nr. 275, over een juridisch instrumentarium voor het instellen van een moratorium op de bouw van nieuwe en uitbreiding van bestaande stallen. U vraagt ons om een juridisch instrumentarium te maken. Ten eerste is dat niet alleen de rijksoverheid, maar zijn dat ook de regionale en lokale overheden. Maar dit gaat ons ook te ver. Ik ben wel bereid om een juridisch instrumentarium te verkennen, dus te kijken wat de mogelijkheden zijn. Maar u vraagt hier expliciet om die te maken, en dat is op dit moment echt een plan te ver. Overigens, ook dit punt komt in het intensiveringsplan wel weer aan de orde. We hebben het ook over dit punt gehad in het debat, en natuurlijk komt het in het intensiveringsplan weer aan de orde. Maar zoals u deze motie verwoordt, kan ik niet anders dan haar ontraden.”
“Zodra de evaluatie klaar is, komt die zo snel mogelijk naar u toe.”
“Dat kan ik even niet beoordelen. Dat weet ik niet. De evaluaties die we doen — we zijn ook nu weer met een evaluatie bezig — komen naar de Kamer toe. Ik kan even niet beoordelen hoe dat in het verleden is gegaan. Dat spijt mij; ik hoop dat u daar begrip voor hebt. We zijn nu met een evaluatie bezig, en die komt naar de Kamer toe.”
“Fijn dat u me scherp houdt, voorzitter. Dank daarvoor. Dan de motie-Van der Plas op stuk nr. 274, die het kabinet verzoekt om elk halfjaar een vogelgriepevaluatie te delen. Er wordt veel gesproken over de personeelstekorten en de inzet om vogelgriep te bestrijden. Wij hebben regelmatig financiële overzichten over de vogelgriep. Die komen regelmatig naar u toe, namelijk elk kwartaal. Maar de vraag is hier om elk halfjaar een evaluatie te doen. Wij doen wel regelmatig evaluaties. Als die evaluaties er zijn — we zijn nu ook met een evaluatie bezig — komen die echt naar de Kamer, maar belast u ons niet om elk halfjaar met een evaluatie te komen. Dat heeft weinig toegevoegde waarde en we willen graag de ruimte houden om ook nog andere dingen te doen. Nogmaals, de evaluaties die we doen, sturen we naar de Kamer.”
“Sorry, voorzitter. Die heb ik inderdaad ontraden, maar dat heb ik niet gezegd. Dat klopt. Dank u wel.”
“Dan ben ik bij de motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 273, die gaat over overwinterende ganzen. Zij vraagt ons om eigenlijk een beleid in te zetten waarbij we het aantal overwinterende ganzen gaan verminderen. Ik ontraad die motie. We werken in internationaal verband aan de aanpak van ganzen binnen het AEWA-verdrag. Provincies voeren dit natuurbeleid uit. Het is ook niet aan ons om hiermee aan de slag te gaan. Dit ligt echt bij de provincies. Die moeten hiermee aan de slag. Wat betreft de aanpak van dat internationale verband: de verdere uitvoering daarvan zal straks dus ook bij de provincies komen te liggen.”
“Meneer Van Campen, dan heb ik mij verkeerd uitgedrukt. We hebben duidelijke afspraken met de sector. Ik heb ook gezegd: een betrouwbare overheid betekent ook dat we die afspraken met de sector keurig netjes nakomen. Daar kunnen de ondernemers ook op rekenen.”
“Natuurlijk. Het kan zo zijn dat uw geduld op is. Ik heb u in het debat aangegeven waar ik allemaal aan werk als het gaat om de bestrijding van zoönosen en in dit geval ook de vogelgriep. We zijn daarin echt wel stappen aan het zetten, maar ik vind ook dat we zaken wel zorgvuldig moeten aanpakken. De sector moet kunnen rekenen op een betrouwbare overheid. Ik doe het dus op een zorgvuldige manier, maar volgens mij heb ik in het debat duidelijk aangegeven hoe deze minister in dit dossier staat en hoe we het de komende periode gaan aanpakken.”
“Volgens mij hebben wij over dierenwelzijn, de vogelgriep en zoönosen een prima debat gehad, mevrouw Vestering. We hebben daarin ook goed onze principes en denkbeelden uitgewisseld. Ik denk dat u deze minister en het ministerie een beetje tekortdoet door zo kort door de bocht te gaan dat het ons eigenlijk helemaal niet zou deren wat er gebeurt, want ik heb in het debat duidelijk aangegeven dat het ons wel degelijk deert.”
“Het specifieke punt hoe ik aankijk tegen de vogelgriep en het ruimen van dieren, is in het Kamerdebat uitvoerig aan de orde geweest. Wij hebben afspraken met de sector over hoe wij met het opnieuw vullen van stallen omgaan. Die afspraken wil ik gewoon nakomen omdat dat ook te maken heeft met de betrouwbaarheid van de overheid. Die ondernemers moeten daar ook op kunnen terugvallen. En nogmaals, ik kom er wel op terug in het debat over de intensieve veehouderij. Ik heb uw oproep natuurlijk wel begrepen, dat heb ik net gezegd. Maar het is niet zo dat we dat nu even snel gaan veranderen, want daar hebben we afspraken over met de sector en ik wil dat op een zorgvuldige manier doen.”
“Ik kom op de motie van mevrouw Vestering, op stuk nr. 272. Die gaat over de uitbetaling uit het diergezondheidsfonds en zegt dat stallen niet opnieuw gevuld mogen worden zolang het vogelgriepvirus nog rondgaat. We hebben afspraken gemaakt met de sector. Wij willen een betrouwbare overheid zijn. Dat betekent dat we de afspraken die we maken, ook willen nakomen. Dat zijn de afspraken die gemaakt zijn over het fonds. Tegelijkertijd wil ik ook besmettingen zo veel mogelijk voorkomen; dat begrijpt u. De meeste uitbraken zijn nieuwe uitbraken. Dat hebben we ook in het debat besproken. Het gaat niet om plekken waar opnieuw nieuwe dieren zijn neergezet en er sprake is van een tweede uitbraak. Maar het gebeurt wel; dat erken ik. Ook ik voel daar ongemak bij. Ik heb in het debat een intensiveringsplan aangekondigd. In dat intensiveringsplan zal ik hier specifiek naar kijken en ik zal hierop terugkomen bij uw Kamer.”
“Dan heb ik nog de motie op stuk nr. 271 van de heer De Groot, over het in kaart brengen van de kosten die gemaakt worden door allerlei organisaties en over de vraag of we die kosten kunnen vergoeden. Ik ben op dit moment bezig met een brief aan uw Kamer, waarin ik ook de leidraad wilde vogels en vogelgriep verstuur. Die brief komt deze maand. In die brief ga ik ook in op de rollen en de verantwoordelijkheden binnen de aanpak van de vogelgriep. Dat hangt natuurlijk nauw samen met hoe er gefinancierd wordt en met wat er gefinancierd wordt. Ook daarop wil ik ingaan in de brief. Ik wil u verzoeken om de motie aan te houden totdat u de brief heeft ontvangen. Anders moet ik de motie op dit moment ontraden, omdat die verwachtingen kan wekken die ik op dit moment niet kan waarmaken. Ik wil u dus verzoeken om de motie aan te houden tot na de brief.”
“U vraagt nu om het naar voren halen van het veldonderzoek. Het is ook de diepe wens van deze minister om zo snel mogelijk over te gaan tot vaccineren. Dat willen we vanzelfsprekend heel graag. Wat dat betreft steunt u dat beleid wel. Ik stel voor om de motie oordeel Kamer te geven.”
“Ik kreeg van mevrouw Van der Plas de vraag over de roadmap, de strategische aanpak van de vogelgriep, en in hoeverre de maatregelen die daarin staan effect hebben op het bestrijden van vogelgriep. Wij weten niet wat individuele maatregelen voor effect hebben op het bestrijden van de vogelgriep. Het is wel belangrijk dat wij een pakket aan maatregelen inzetten om de vogelgriep te bestrijden. Het gaat om het verkleinen van de besmettingskans. Dat kan alleen door echt in de breedte alle maatregelen in te zetten die er zijn. Dat is echt een samenspel. We hebben geen zicht op elke maatregel, maar we zijn er wel van overtuigd dat de maatregelen die in het mandje van de roadmap zitten in samenspel bijdragen aan het terugdringen van de besmettingen. Voorzitter. Ik heb hier de motie op stuk nr. 270, van de heer De Groot. Die gaat over het parallel starten van het veldonderzoek en het laboratoriumonderzoek. Normaal is het zo dat we eerst laboratoriumonderzoek hebben. U weet dat er op dit moment drie vaccins in onderzoek zijn. We hebben dat ook besproken in het debat.”
“Ik begrijp uw vraag. Het is natuurlijk wel zo dat de NVWA besluit dat er geruimd moet worden wanneer er een besmetting is. Dan is het niet zo dat we kunnen gaan wachten op bijvoorbeeld een lagere windkracht voordat we kunnen ruimen. Maar er moeten misschien wel voorzieningen en voorzorgsmaatregelen zijn, die ervoor zorgen dat de wind weinig invloed heeft op de ruiming. Ik ga ervan uit dat de NVWA dat ook wel doet, want wat dat betreft weten ze bij de NVWA echt wel waar ze mee bezig zijn. Maar ik zal uw punt wel meenemen in het gesprek.”
“Daarbij houdt zij vanzelfsprekend ook rekening met de beschermende middelen en de hygiënische maatregelen die nodig zijn bij een ruiming. Daar wordt erg goed op gelet door de NVWA. U refereert aan een specifieke situatie die u heeft gezien. Naar aanleiding van uw vraag ga ik de NVWA op die situatie wijzen, om te benadrukken dat dit wel degelijk goed en hygiënisch moet gebeuren, met de juiste beschermingsmaatregelen. Het kan immers natuurlijk niet zo zijn dat we situaties tegenkomen zoals u ze heeft gezien. Ik zeg nogmaals: de NVWA is zeer consciëntieus bezig met het werken met goede, hygiënische maatregelen en met goede beschermingsmaatregelen. Misschien is het hier fout gegaan. Ik wil de NVWA daar gewoon op wijzen naar aanleiding van uw vraag. Dan is er een vraag van mevrouw Van der Plas.”
“Mevrouw Vestering stelde een tweede vraag. Hoeveel vergassingen kan de NVWA nog aan? Op dit moment kunnen wij twee à drie ruimingen per dag aan, op twee à drie locaties. De NVWA is in staat om die uitbraken op een goede en efficiënte manier snel te ruimen. Het is wel zo dat er in bepaalde situaties problemen kúnnen ontstaan. Zoals u weet, is er laatst ook een situatie geweest waarbij we niet op tijd konden ruimen. Omdat er een vertraging was in de ruiming hebben we in dat uitzonderlijke geval gezegd: we zijn in dit specifieke geval over de zeven dagen heen en we gaan daarom niet meer ruimen. Dat is een uitzondering. Over het algemeen, en zeker weer in deze huidige periode, kan de NVWA de ruimingen goed aan. Natuurlijk gaan we weer prioriteren op het moment dat er weer nieuwe risico's ontstaan. Dat doen we dan naar aanleiding van de risico's; dat is vanzelfsprekend. Dan de vraag van mevrouw Vestering over beschermende middelen bij ruimingen. De NVWA voert de ruimingen op een heel zorgvuldige manier uit.”
“Ik weet niet of er nu naar wordt gekeken. Wij monitoren in varkensstallen. Ik ga u toezeggen dat, als dat er aan de hand is, we Deurne ook gaan meenemen in de monitoring.”