Marnix van Rij
staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst · Netherlands
“Ik zal deze vraag doorgeleiden naar mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de bepalingen in de Gemeentewet die de ozb betreffen. Voorzitter. De heer De Jong vroeg: hoe wordt van een platform verwacht dat het de vraagprijs kent als de betaling bijvoorbeeld cash wordt afgedaan?”
“Dat wil zeggen: in de politieke vierhoek — dat is de minister-president, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en de minister van Economische Zaken — en met de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en ondergetekende. Er is gesproken over de meerdere wensen die op tafel lagen.”
“De invulling die wij daaraan hebben gegeven, stond ook in het Belastingplan zoals dat op Prinsjesdag is gepresenteerd: 50 miljoen voor de WKR, 150 miljoen voor EIA en MIA, de investeringsaftrekken, en het restantbedrag voor het Aof.”
“Dank voor deze vraag. Eerst reageer ik op uw laatste vragen. Ik heb zojuist uitgelegd waarom wij denken dat we met deze overbruggingsvariant voldoen aan het arrest van de Hoge Raad.”
“Voorzitter, dan zou ik nu door willen gaan naar het tweede thema: het mkb en het ondernemingsklimaat. De minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen is eigenlijk al ingegaan op de inhoudelijke vragen die door mevrouw Maatoug en de heer Nijboer zijn gesteld over het LIV. Mij rest nog een toelichting te geven op het proces.”
“Dat is juist, want er staat inderdaad in de brief dat de Belastingdienst een coördinerende rol heeft. Wat houdt dat in? Er moet inderdaad een register van persoonsgegevens komen, want deze huishoudens moeten namelijk echt geholpen worden. Bij de gemeente, de GBA, de woningbouwcorporatie of de vve is bekend wie er op die adressen woont.”
The complete record
Every one of 160 lines we hold for Marnix van Rij, in date order, each linked to its source. Free to read, in full, without an account. Page 3 of 4.
“Door een aantal is gevraagd naar de anti-arbitrageregeling. Met de anti-arbitrageregeling die op dit moment is voorgesteld, hebben we de Belastingdienst een instrument gegeven om op te treden tegen peildatumarbitrage. De heer Ephraim heeft een aantal dingen gezegd waar ik het mee eens ben. Ook hier wil ik weer zeggen dat ik het probleem niet kleiner wil maken dan het is, maar ook niet groter. Als je spaargeld hebt, dan is er niks te arbitreren. Heb je spaargeld met een kleine beleggingsportefeuille, dan zou je dat ook niet doen. Heb je een volledige aandelenportefeuille en zou je het dan doen, dan zijn daar ook transferkosten aan verbonden. Wij zullen het met de ketenpartners, en uiteraard ook met de Belastingdienst, monitoren. Zit je vol in vastgoed, dan ga je echt niet je vastgoedportefeuille op 30 november verkopen en die weer terugkopen op 1 april, want dat kost je alleen al qua overdrachtsbelasting en notariskosten heel veel geld. Dus zijn er risico's, zullen er misschien belastingplichtigen zijn die hier toch mee willen spelen? Dat zul je altijd hebben.”
“Ik denk dat die belastingplichtigen echt wel met een bezwaarschrift de weg weten te vinden naar de inspecteur en zo nodig zich zullen melden bij de onafhankelijke rechter. Gaat dat op een schaal gebeuren, in een omvang waarvan wij zeggen "dat moeten we niet hebben" of waarbij er weer een nieuwe rechtsvraag ligt, dan weten we hoe te handelen.”
“Ik ga heel even kort — ik houd het echt heel kort — terug naar de invoering van het systeem op 1 januari 2022. We moeten ons heel goed realiseren dat het een hybride systeem is. De vermogensbelasting is toen afgeschaft. Dit is in de inkomstenbelasting als box 3 erin gekomen. Dit is het belasten van inkomsten uit vermogen. Maar het is de facto een vermogensbelasting. Dus als u over werkelijk rendement spreekt, moet u zich goed realiseren, teruggaand naar de parlementaire geschiedenis, dat het ook direct en indirect rendement is. Er is toen om eenvoudsredenen en om de 4% gekozen voor deze vorm. Inmiddels is de fictie van 2017 eruit. Ik heb zojuist toegelicht dat we met de spaarvariant heel grote groepen belastingplichtigen daadwerkelijk op basis van reëel rendement belasten. U heeft het over die categorie die uitsluitend, of nagenoeg uitsluitend, onder dat forfait valt. Ik vind het niet wijs om daar een eigen tegenbewijsregeling voor te openen.”
“Stel dat het massaal zal zijn, hetgeen ik niet verwacht, dan hebben we een veel probater middel dan die tegenbewijsregeling. Dan hebben we de massaalbezwaarprocedure en kunnen we invulling geven aan de motie-Grinwis, maar daar ga ik niet op vooruitlopen. Die route zou mijn voorkeur hebben. We moeten het zien; we moeten ons altijd op het worstcasescenario voorbereiden.”
“Ik begrijp het pleidooi, maar wij draaien het eigenlijk precies om. We maken een start en wij gaan het monitoren. We gaan kijken waar het verfijnd kan worden. Door nu zo'n extra mogelijkheid te creëren, wordt het uitvoeringstechnisch alleen maar complexer. Het is gewoon de weg van: iedereen is verantwoordelijk voor het indienen van zijn eigen aangifte. Ik wil het niet kleiner maken dan het is, maar ik wil het vooral ook niet groter maken dan het is. Waar u het over heeft, zijn vrij specifieke situaties. Dit jaar heeft de aandelenbeurs het veel slechter gedaan, maar er ligt wel een redenering aan ten grondslag van dat langjarige meetkundige gemiddelde. Als een belastingplichtige het er niet mee eens is, dan kan een procedure worden gestart. Er lopen nu ook procedures, zij het geen grote aantallen, van belastingplichtigen die het er niet mee eens zijn. Dat kan ook gaan over het rechtsherstel van 2017. Zou het die omvang aannemen waar de heer Idsinga bevreesd voor is, dan krijgen we de koppeling op het andere onderwerp, namelijk het massaal bezwaar.”
“Dat is ook meteen het antwoord op de vraag over de tegenbewijsregeling. Ik begrijp het en ik heb daar ook wel sympathie voor, maar wij denken dat we dat echt niet moeten doen, omdat het vooral uitvoeringstechnisch en ook budgettair tot problemen kan leiden. Dan durven wij deze overbrugging wel aan, al moet die ook niet te lang duren en moeten we nog aan de fijne kanten slijpen en naar de verfijnde variant kijken.”
“Ook in de jaren dat je misschien wel die 15% of 20% zou maken, zijn er beleggers geweest die dat niet hebben gedaan. Dat was de onfortuinlijke belegger, om het maar even zo te zeggen. De Hoge Raad heeft daar ook iets over gezegd. Dat was in het oude systeem eigenlijk ook al zo. Zij zullen nu een aanleiding vinden om bezwaar te maken. Dat kan ik niet uitsluiten, maar ik wil het heel graag in proporties blijven zien. Ik denk dat de heer Idsinga dat met mij eens is. Zo'n 40% hoeft helemaal niet naar de rechter te stappen, omdat zij sec sparen en niks anders doen. Het kan natuurlijk per jaar wisselen, maar dan hebben we ongeveer 25% die voornamelijk spaart en een kleine beleggingsportefeuille heeft. Als je de sommen maakt, waarbij je uitgaat van 80% sparen en 20% beleggen, dan zitten zij in heel veel gevallen niet eens in die 25%. Dan zullen er situaties denkbaar zijn waarin iemand die alleen maar zeer offensief in aandelen belegt, het ene jaar dit doet en het andere jaar dat. Daar kunnen we geen overbruggingswet op maken.”
“Ik heb een brief toegezegd voor uiterlijk begin volgend jaar. Als het om de verdere verfijning van plan B wat betreft box 3 gaat, zou ik 'm daarin mee kunnen nemen. Maar ik wil eigenlijk kijken of het nog eerder kan.”
“Ik kan er echt kort over zijn. Ik heb er niet alleen meer dan sympathie voor; we gaan ook echt uitzoeken hoe we dat zo geregeld krijgen. Het is moeilijk uit te leggen. U heeft het schriftelijke antwoord gelezen. Er is even iets meer tijd voor nodig. Er zullen misschien nog een paar van dit soort punten zijn. Daar komen we overigens wel bij de Kamer op terug, maar dan moeten we dat misschien in de vorm van een besluit of anderszins doen.”
“Ik ben blij dat de heer Mulder deze vraag heeft gesteld, want het klopt dat ik dat van die 2 miljard heb gezegd. Ik moet een lichte correctie op of nuancering bij die 2 miljard plaatsen. Dat was zo als wij nu niet hadden gekozen voor deze variant, die 380 miljoen per jaar kost. Maar als wij voor de verfijnde variant, voor de beperkte periode — toen nog tot 1 januari 2025; dat is nu 2026 geworden — hadden gekozen, dan zou dat 2 miljard hebben gekost. Want uiteindelijk heb je natuurlijk, als je een verfijnd forfait doet per vermogensbestanddeling per jaar, veel grotere wisselingen dan bij een langjarig meetkundig gemiddelde.”
“De Hoge Raad heeft dus, nogmaals, niet gezegd dat dat niet zou mogen. De Hoge Raad heeft in het arrest met name … Dat ging om een situatie waarin iemand €800.000 had en zei: ja, maar wacht even, ik heb 80% daarvan op spaartegoed gezet en ik word aangeslagen op basis van forfait alsof ik twee derde in aandelen heb zitten. Toen bleek natuurlijk het daadwerkelijke rendement daardoor veel lager te zijn dan het forfaitaire rendement. Tegen de heer Mulder zeg ik het volgende. Als er in de overbrugging situaties zijn waarin er belastingplichtigen zullen opstaan die zeggen "ja, maar wacht even, mijn werkelijk rendement is lager dan het forfait", dan teken ik wel aan dat rendement niet alleen direct rendement is, maar ook indirect rendement. Dat zeg ik ook tegen de heer Stoffer, die met het voorbeeld van de verpachte gronden kwam. Het gaat dan niet alleen om de 2%, maar ook over de niet-gerealiseerde waardeontwikkeling in het vermogensbestanddeel. Dat kan bij een aandeel zijn en dat kan bij grond zijn. Als laatste.”
“Dank voor deze vraag. Eerst reageer ik op uw laatste vragen. Ik heb zojuist uitgelegd waarom wij denken dat we met deze overbruggingsvariant voldoen aan het arrest van de Hoge Raad. Het arrest van de Hoge Raad heeft namelijk het oude stelsel met name onderuit geschopt, omdat er op 1 januari 2017 een fictie in de wet was gekomen, die uitging van een bepaalde vermogensverdeling. Die was tot €100.000 in de belaste sfeer twee derde sparen en een derde aandelen en boven de €100.000 tot 1 miljoen euro was die twee derde aandelen en een derde sparen. Die fictie hebben we eruit gehaald. Sterker nog, we hebben zelfs ten aanzien van sparen en eigen forfait gezegd dat je alleen belasting betaalt over de rente die je hebt ontvangen. Die is nu 0,25%. Dan wil ik ingaan op uw vraag over het forfait. Dat heb ik zojuist proberen toe te lichten. De Hoge Raad heeft niet gezegd dat je niet met een forfait mag werken, en dat doen we. We houden voor deze overbruggingsperiode de grondslagen van dat forfait in stand. Ik heb net al het voorbeeld gegeven van die 6,17% en ik heb ook de verdeling aangeven.”
“Dat betekent dat de laatste jaren het zwaarst wegen. Ik geef een voorbeeld. In 2021 waren de aandelen 23,32% en de onroerende zaken 15,15%. Dan zie je dat het forfait in 2022, dat dus terugkeek naar 2020 en voorgaande jaren, 5,53% was. Als één zo'n jaar een extreem hoog rendement laat zien, kom je dus op 6,17. Een kind kan de was doen. Dit rendement wordt dit jaar zeker niet gehaald bij de aandelen en ik denk ook niet bij de onroerende zaken, en dus gaat het forfaitair rendement weer naar beneden. De Hoge Raad heeft niet gezegd dat we niet met forfaits zouden mogen rekenen. Dat is nog wel een groot misverstand. De Hoge Raad heeft ook gezegd dat er een zekere ruwheid in zit. Wij gaan wel onderzoeken — dat heb ik al toegezegd — in hoeverre we toch naar een verfijning van het forfait kunnen, ook in het kader van het nieuwe stelsel. Dit zeg ik met name even tegen de heer Idsinga, omdat hij daarnaar gevraagd heeft. Wij hopen daar in december een brief over te kunnen schrijven.”
“Daar kunnen ook belastingplichtigen in zitten die alleen in vastgoed beleggen of in een combinatie, maar vaak hebben ook dat soort beleggers natuurlijk liquiditeiten. Ik ga nu niet in op de details. De berekeningen kunt u zien in de artikelsgewijze toelichting. Vaak wordt gezegd dat het forfait 6,17% is. Ja, dat is op zichzelf juist voor de overige bezittingen, maar als je bijvoorbeeld toch ook nog een stuk liquiditeit hebt, zul je zien dat het gemiddelde forfaitair rendement aanzienlijk lager kan zijn dan die 6,17%. Vanuit de stelselsystematiek geloven wij dat wij voldoen aan bijna alle punten die de Hoge Raad heeft geadresseerd. De heer Idsinga heeft nog eens gevraagd hoe wij komen tot die 6,17%. Dan wijs ik er toch op dat wij het forfait dat bestond, hebben aangepast. Nogmaals, de fictie van de vermogensverdeling is eruit. De onderverdeling is: obligaties 14%, aandelen 33%, onroerende zaken 53%. Die hebben we gehandhaafd. Ook hebben we gehandhaafd dat we langjarig kijken. We kijken naar de langetermijnrendementen op deze vermogenstitels, met een meetkundig gemiddelde.”
“We hebben in januari, februari heus ook weleens momenten gehad dat we dachten dat er andere scenario's mogelijk waren. We hebben alle jaren waarvan de aanslagen nog niet waren opgelegd, zoals 2021, ook afgehandeld. Toen is dit wetsvoorstel gemaakt. Wij denken dat we met dit wetsvoorstel voldoen aan het arrest van de Hoge Raad van 24 december — dat was een van de vragen — want het is een overbrugging. Waarom? Dat is zo, omdat de fictie van de vermogensverdeling er niet meer in zit. Daar was de Hoge Raad met name over gevallen. Ten tweede hebben we nu drie forfaits: een op sparen, een op de overige bezittingen en een op de schulden. Met name bij het sparen, wat toch het grootste deel is van de belastingplichtigen in box 3, betaal je alleen maar belasting over de rente die je hebt ontvangen. Alles bij elkaar gaat dat om de grootste groep. Dan heb je een categorie van ongeveer een derde die nogal verscheiden is. Daar kunnen mensen, belastingplichtigen, in zitten die alleen maar in aandelen beleggen.”
“Daar zijn vragen over gesteld door meerdere sprekers, door de heer Idsinga, de heer Nijboer en de heer De Jong. De heer Idsinga heeft mij uitgenodigd om zo snel mogelijk te evalueren of de overbruggingswet box 3 volgend jaar alsnog verfijnd moet worden. Hij vraagt ook om een reactie op zijn voorstellen daarover, ook op het al dan niet introduceren van een tegenbewijsregeling en een betere anti-arbitrageregeling. Ook de heer Nijboer heeft zijn zorgen geuit over de arbitrage en heeft specifiek gevraagd naar de indeling van het aandeel in een vve. Hij vraagt of dat niet anders kan. Ook de heer De Jong heeft gevraagd naar de mogelijkheden om de bezwaren die over de vermogenscategorieën van de overige bezittingen zijn geuit weg te nemen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 december vorig jaar is natuurlijk bekend. We hebben ons eerst gericht op het herstel, de afwikkeling van de bezwaren. Dat hebben we, met grote waardering voor de Belastingdienst, binnen zes maanden kunnen doen.”
“Wij willen eigenlijk begin volgend jaar zo snel mogelijk de procedure, of procedures als het om meerdere casusposities zou gaan, omdat er misschien twee of drie andere rechtsvragen worden voorgelegd, starten. Nogmaals, dat doen we in goed overleg met de belangenorganisaties en beroepsorganisaties zodat er een ordentelijk proces wordt gevolgd. Voorzitter. De heer Grinwis en mevrouw Van Dijk hebben vragen gesteld naar aanleiding van, denk ik, de motie van de heer Grinwis over de massaalbezwaarprocedure zoals die voor de wijziging in 2017 bestond. Wij komen schriftelijk uitgebreid terug op die motie. Het ziet ernaar uit dat dat ook zeker dit jaar nog gaat lukken. Dan gaan we ook in op de deformalisering. Hoe kun je het iets eenvoudiger voor de burger maken, bijvoorbeeld als het gaat om kwesties als verzoeken tot ambtshalve vermindering en dergelijke? Voorzitter. Volgens mij heb ik dan alle vragen met betrekking tot de niet-bezwaarmakers beantwoord. Dan zou ik willen overgaan naar het onderwerp overbruggingswet box 3.”
“De niet-bezwaarmakers zijn tijdens het wetgevingsoverleg aan de orde gekomen. Het verzoek aan het kabinet, aan mij, was: kunt u gezien het aantal verzoeken tot ambtshalve vermindering dat is binnengekomen niet een procedure bedenken waardoor te zijner tijd dit soort bezwaarschriften massaal worden afgedaan? Dat hebben we gedaan en daar hebben we een brief over gestuurd. Dat hebben we ook in goed overleg gedaan, niet alleen met de Bond voor Belastingbetalers en de Consumentenbond, maar ook met de koepelorganisaties. Dat betekent dat de wet op een onderdeeltje aangepast moet worden om massaal bezwaar in een situatie van verzoeken tot ambtshalve vermindering mogelijk te maken, met de toezegging van onze kant dat als wij die procedure als Staat zouden verliezen, ook alle niet-bezwaarmakers een tegemoetkoming zullen krijgen. Wij achten die kans niet groot — dat hebben we ook in de brief geschreven — omdat de Hoge Raad zich daar op 20 mei al over heeft uitgesproken. Desalniettemin zijn we in overleg over een nieuwe rechtsvraag. Wij wachten dat met belangstelling af.”
“Bij de leden die de Akte van Mannheim hebben getekend is er geen animo om deze akte op dit punt te herzien, maar herziening van de akte is eigenlijk ook niet nodig om te kunnen beprijzen. Accijns is namelijk niet de enige manier. Beprijzing staat al op de agenda van de overleggen van de leden. Dan de heer Dassen van Volt. Hij heeft gevraagd of de zero-emissiebinnenvaartschepen wel belasting betalen, terwijl vervuilende dieselschepen dat niet doen. Daar geldt eigenlijk hetzelfde antwoord dat ik net heb gegeven. Mevrouw Maatoug vroeg of ik bereid ben de wetgeving zodanig aan te passen dat de minimum CO 2 -prijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Die vraag heeft de minister al beantwoord. Voorzitter. Ten aanzien van CBAM heeft de minister eigenlijk ook de antwoorden gegeven. Ik wil alleen nog eens een keer benadrukken dat ons voorstel is om daar niet over te stemmen omdat de Europese besluitvorming op dat punt nog niet is afgerond. Voorzitter. Met uw goedvinden ga ik dan naar het vierde thema, namelijk alles rondom box 3. Ik wil beginnen met de niet-bezwaarmakers.”
“Het verhindert alleen het heffen van accijns op kerosine die al aan boord is bij aankomst. Wat wel klopt, is dat op dit moment het belasten van brandstof in de luchtvaartkerosine niet mogelijk is, doordat in bijna alle bilaterale en EU-luchtvaartverdragen standaard een vrijstelling is opgenomen. Maar de minister voor Klimaat en Energie heeft ook aangegeven dat in de Brusselse besprekingen ook een accijns op kerosine op tafel ligt, dus het belasten van kerosine in EU-verband. Dat lijkt mij eerlijk gezegd de meest voor de hand liggende optie in plaats van het aanpassen van allemaal bilaterale verdragen. Ook de huidige Richtlijn energiebelastingen stelt de accijns verplicht vrij op de kerosine in de luchtvaart, vandaar dat dat in het kader van het "Fit for 55"-pakket opgepakt kan worden. Voor de binnenvaart hebben we de Akte van Mannheim. Er zijn geen andere verdragen gesloten die heffing van accijns verhinderen.”
“De minister is er eigenlijk al op ingegaan, maar in de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda hebben we de toch behoorlijk ambitieuze fiscale plannen qua vergroening vertaald. In dit pakket zitten nu de eerste plannen zoals we die bespreken. Volgend jaar komen er nog andere plannen en het jaar daarop ook. Met name voor de fiscale fossiele subsidies wil ik wijzen op het in 2025 afschaffen van de vrijstelling metallurgische en mineralogische procedés, de beperking van de vrijstelling van de elektriciteitsproductie en het afschaffen van het verlaagde tarief in de glastuinbouw. Wij wachten natuurlijk ook het ibo-rapport van begin volgend jaar over klimaat af. Wij verwachten dat daarin ook de nodige opties op het punt van fiscale vergroening verder in kaart worden gebracht. Voorzitter. Dan vraagt de heer De Jong of er nog andere verdragen zijn dan het Verdrag van Mannheim en het Verdrag van Chicago. Voor wat betreft de luchtvaart is het Verdrag van Chicago van belang. Dat staat overigens niet in de weg aan het heffen van accijns over kerosine.”
“Dat zeg ik toe, alleen denk ik dat we dan eerst even moeten kijken hoe die regeling zich het komende jaar ontwikkelt. Ik kom hierop dus bij uw Kamer terug op het moment dat wij in staat zijn om iets zinnigs met u te delen. Dat zal dus in de loop van 2023 zijn; in de tweede helft, denk ik. Voorzitter. De heer Stoffer heeft nog gevraagd of ook de pvt-panelen, dus de fotovoltaïsche en thermische panelen, zo snel mogelijk vrij te stellen zijn van btw. Het antwoord daarop is: nee, want dat kan niet volgens de richtlijn. Ik ga het ook niet bepleiten in Brussel, want die richtlijn is net begin april opnieuw vastgesteld. Voorzitter. De heer Van Raan heeft gevraagd of ik bereid ben om collega Jetten te ondersteunen in een besparingscampagne en in de energietransitie door uiteindelijk de fiscale fossiele subsidies af te schaffen. Hij vraagt ook of ik bereid ben om groente en fruit goedkoper te maken dan vlees, zodat het aantrekkelijker wordt om gezond te eten.”
“Wel zal de prijsontwikkeling van de levering en installatie van zonnepanelen worden gemonitord om de effecten van de verlaging van het btw-tarief zo goed mogelijk inzichtelijk te maken. Uit een enquête van Solar Magazine blijkt dat de installateurs overwegen hun prijzen te verhogen om daarmee voldoende liquiditeit te behouden. Het kabinet is zich ervan bewust dat leveranciers en installatiebedrijven door de voorgestelde btw-maatregelen een nadeel in kasliquiditeit kunnen ervaren. Om dat nadeel in kasliquiditeit zo goed mogelijk te voorkomen, wijst het kabinet op de mogelijkheid om te kiezen voor een btw-maandaangifte. Daardoor krijgen zij hun inkoop-btw sneller terug, wat hun nadeel in de kasliquiditeit dempt en prijsverhoging in dit verband minder nodig en minder aantrekkelijk maakt. Met een ex-durante-evaluatie monitort het kabinet onder andere de prijsontwikkeling van zonnepanelen. Wij zullen hier wel ruchtbaarheid aan geven.”
“Wij gaan dit echt serieus onderzoeken en we komen in de eerste helft van volgend jaar bij uw Kamer terug op alle drie de onderwerpen. Voorzitter. Dan de bpm-vrijstelling voor de bestelauto. De heer Stoffer heeft gevraagd om met de sector te kijken naar een beter voorstel met een beter, duurzaam resultaat. Het voorstel van de sector vinden wij geen goed voorstel. Het nadeel van dat alternatief is dat de beoogde structurele CO 2 -reductie daarmee niet wordt gehaald. Verder stellen zij voor om de accijns op diesel te verhogen. Dat geldt dan voor alle gebruikers van diesel. Wij houden het dus bij het voorstel zoals we dat bij nota van wijziging hebben aangepast. Voorzitter. De heer Romke de Jong vroeg: kan de staatssecretaris reageren op de oproep van de Vereniging Eigen Huis om huishoudens te beschermen tegen mogelijke prijsstijgingen van zonnepanelen? Het is niet mogelijk om af te dwingen dat een btw-verlaging wordt doorgegeven aan de consument; dat zou natuurlijk wel moeten gebeuren.”
“De heer Romke de Jong vroeg: kan de staatssecretaris uitzoeken hoe we het voor werkgevers makkelijker kunnen maken om openbaarvervoerabonnementen te verstrekken aan werknemers? De heer De Jong heeft ook bij het WGO gewezen op de administratieve last. Zoals we eerder eigenlijk ook schriftelijk hebben aangegeven, gaan we dit betrekken bij het gesprek met de Stichting van de Arbeid over de thuiswerkkostenvergoeding en de reiskostenvergoeding. We gaan het ook een plek geven in de evaluatie van de werkkostenregeling. Kortom, we hebben het signaal gehoord en we gaan er gewoon mee aan de slag. Mevrouw Van Dijk heeft gevraagd waarom de transfer trein-vliegtuig niet wordt vrijgesteld van vliegbelasting. Ik pak nu even drie onderwerpen tegelijk mee, want de minister heeft daar zojuist ook al iets over gezegd. Dit betreft zowel dit onderwerp als transfer en vliegbelasting; daar heeft onder meer de heer Alkaya naar gevraagd, maar ook de heer Omtzigt, die het ook over de private jets heeft gehad, waar ikzelf ook al iets over heb gezegd.”
“Ik heb bij het wetgevingsoverleg en in de schriftelijke antwoorden al aangegeven dat er op dit moment een onderzoek gaande is naar dat verlaagde tarief, ook op het openbaar vervoer, en welke beleidsmatige keuzes daar dan bij gemaakt moeten worden. Dat is een onderzoek van het departement van IenW. Daarin wordt dat meegenomen. Ook het onderzoek door het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid naar het effect van de prijs van het openbaar vervoer op het gebruik ervan wordt daarin meegenomen. De planning is dat dit onderzoek in november gepubliceerd wordt. Ik heb al eerder gezegd dat ik graag op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, uiteraard nadat we dat ook in het kabinet goed beoordeeld hebben, wil terugkomen op die verlaging van de btw op het openbaar vervoer. Mijn antwoord op de vraag over het afschaffen van de 30%-regeling hou ik dan even kort. In de schriftelijke antwoorden hebben we ook al aangegeven dat wij daar geen voorstander van zijn. Voorzitter.”
“Omdat ik in Brussel bij de Europese Commissie een haakje zag, omdat de Gedragscodegroep, die aanvankelijk is ingesteld voor belastingregelingen van ondernemingen, ook naar speciale burgerschapsregelingen of maatregelen voor expats zoals deze kan kijken. Dat blijkt uit de mededeling van de Europese Commissie over goed fiscaal bestuur in de EU. Wij merken dat andere landen hier niet zo enthousiast over zijn, maar dat wil niet zeggen dat we dat niet alsnog weer gaan proberen. Dat is een wat langere weg dan ik had gehoopt, maar dat is natuurlijk wel het gremium waar je dit aan de orde moet stellen. Dat zullen we doen, maar we kunnen het niet in ons eentje. Dat was het thema mkb. Voorzitter. Dan ga ik naar vergroenen en mobiliteit. De heer Alkaya heeft gevraagd of het kabinet bereid is het btw-tarief op het openbaar vervoer te verlagen naar nihil en dit te financieren via het afschaffen van de 30%-regeling.”
“De terugbetaling is begonnen op 1 oktober. Dat is in beginsel vijf jaar; dat kan zeven jaar worden. We hebben ook op 1 oktober een iets verruimde regeling gemaakt voor ondernemers die belastinguitstel willen. Dat hebben we ook in het kader van zekerheden gedaan. Tegelijkertijd deel ik de zorg die de heer Nijboer heeft uitgesproken. Bij het wetgevingsoverleg heb ik ook al gezegd dat de manier waarop het met covid is geregeld niet de standaardsituatie is. De situatie waarin we nu verkeren met het energie-intensieve mkb is dat ook niet. De Belastingdienst is geen bank. Dat betekent dat de tegemoetkomingsregeling daar een andere vorm heeft gekregen dan hier, maar daarover wordt morgen met de Kamer gediscussieerd. Voorzitter. De heer Grinwis heeft nog wat vragen gesteld over de expatregeling. Die gingen eigenlijk met name over het feit dat ik had toegezegd om te bekijken of we dat in het kader van de Gedragscodegroep kunnen bespreken. Waarom?”
“Ik zal mijn uiterste best doen om die informatie mee te geven in de kabinetsappreciatie van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat we de dialoog met de Kamer daarover kunnen voortzetten. Voorzitter. De heer Ephraim van de Groep Van Haga heeft gevraagd of het kabinet bereid is de doelmatigheidsmarge te beperken tot 15%, in plaats van die af te schaffen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om die helemaal af te schaffen. Dat draagt ook bij aan een beter globaal evenwicht tussen box 1 en box 2, want we hebben het uiteindelijk gewoon over het loon uit dienstbetrekking. Waarom zou dat voor een dga'er anders zijn dan voor een werknemer die in box 1 wordt belast? De opbrengsten zijn ingeboekt voor de aanvullende koopkrachtmaatregelen uit de augustusbesluitvorming. Voorzitter. De heer Nijboer heeft het met name gehad over het mkb, dat het moeilijk heeft. Aan de ene kant zijn er mkb'ers die de coronaschulden nog terug moeten betalen. Daar hebben we het tijdens het wetgevingsoverleg ook over gehad. In de brief van 8 september hebben wij het volgende uitgelegd.”
“Ik zou aan de heer Idsinga willen vragen of hij dan ook wil wachten tot dat onderzoek is afgerond, want er wordt heel hard aan gewerkt.”
“Ik heb met potlood in mijn agenda staan: maandagavond 21 november van 18.00 uur tot 22.00 uur. Ik verheug me erop. Voorzitter. De heer Idsinga heeft een- en andermaal gevraagd: wat is nou het ondernemingsvermogen en het belegginsvermogen in box 2? Ik ga steeds hetzelfde antwoord geven. Dat kunnen wij niet op jaarbasis geven. Ik zou het met alle wil van de wereld willen, maar dat halen wij niet uit de aangiftes van de vennootschapsbelasting. Het enige wat ik kan toezeggen — daar zijn ze mee bezig, maar dat is bij benadering — is het volgende. Bij de toepassing van de BOR, de bedrijfsopvolgingsregeling zoals we die van 2010 kennen — laten we daar dan mee beginnen — wordt er een onderscheid gemaakt tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen. Ik heb aan de ambtenaren gevraagd: laten we kijken wat nou bij die aanslagregelingen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen was. Dat is wel een enorme exercitie. Dat is geen exacte wiskunde, maar bij benadering gaan we dan wel een gevoel krijgen.”
“Dan is het misschien ook beter dat we op die vragen ingaan op 21 november. Mevrouw de voorzitter. De heer Idsinga …”
“Daar hebben we het net uitgebreid over gehad. Wij hebben met dit pakket dus ook echt bewust gekozen voor aan de ene kant een verhoging van lasten op vermogen en aan de andere kant een verlaging van lasten op arbeid. Met name die mkb'ers die in de inkomstenbelasting zitten, hebben we daarbij ontzien. We hebben er natuurlijk vooral op gelet dat er een globaal evenwicht is tussen de boxen. Voorzitter. Mevrouw Maatoug heeft gevraagd: kan de solidariteitsbijdrageheffing ook gelden voor 2023? Waarom wordt gekozen voor een tarief voor 33%? Ik stel voor dat ik op die vragen inga bij de behandeling van het wetsontwerp over de solidariteitsheffing in het wetgevingsoverleg op 21 november aanstaande. De heer Dassen heeft gevraagd naar een grondslag voor een meevallersheffing. Ook die vraag zou ik graag willen behandelen bij de behandeling van dat wetsontwerp over de solidariteitsheffing.”
“Voorzitter. Is de staatssecretaris het ermee eens dat het systeem prikkels moet blijven bevatten die ondernemen stimuleren? Dat was een vraag van de heer Idsinga. Ik verwijs gewoon naar de brief van het kabinet, van collega Micky Adriaansens en ondergetekende, van 14 oktober. We hebben daarin gezegd dat voorspelbare fiscale regelgeving belangrijk is. Straks zal ik nog uitgebreider ingaan op fiscale regelingen. Voorzitter. De heer Stoffer vroeg of we te makkelijk draaien aan knoppen voor ondernemers en of ondernemers in de toekomst nog kunnen rekenen op een meer voorspelbaar belastingplan. Daar zou ik heel kort op willen antwoorden. 1,5 miljoen mkb-ondernemers zitten in de Wet inkomstenbelasting. In de Wet inkomstenbelasting hebben we niets veranderd. Sterker nog, die 1,5 miljoen mkb-ondernemers gaan erop vooruit. Waarom? Door de verhoging van de arbeidskorting en het verlagen van het tarief in de eerste schijf. De enige maatregel die hen raakt, is de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek. 500.000 ondernemers zitten in de Vpb, de vennootschapsbelasting.”
“Ja, ik weet het, maar we zijn ook later begonnen.”
“Ja, ik vind het prima, maar ik wil toch ook graag serieus de interrupties beantwoorden.”
“Nee, maar kijk, de vraag is natuurlijk wat de Tweede Kamer in haar geheel van dit pakket vindt. Maar daar gaat het niet om, want de vraag van mevrouw Maatoug en ook uw vraag gaat hierom: wij hebben hier eigenlijk niet een inhoudelijk debat over kunnen voeren tijdens het wetgevingsoverleg en ons is het recht ontnomen om nog met alternatieven te komen, hetzij via een motie hetzij via een amendement. Voor zover er bezwaren bestaan op het gebied van het onderdeel van het LIV, qua procedure, kan ik dat niet meer vanuit het kabinet corrigeren in de fase van de behandeling van het Belastingplan waar we nu staan.”
“Ik weerspreek echt dat de Malietoren — lees: VNO-NCW en MKB-Nederland — bepaald zou hebben hoe dit pakket eruitziet. Beide organisaties zijn behoorlijk ontstemd over het totale pakket dat vervat is in dit Belastingplan. Dat heeft u ook kunnen lezen. Het onderdeel terugsluis mkb hebben wij op drie onderdelen aangepast: indexatie van de Wbso, tijdelijke willekeurige afschrijving en het LIV voor twee jaar. Dus het is bepaald niet zo dat er groot gejuich is opgegaan. Wij hebben gemeend dat daardoor een iets gerichtere invulling is gegeven, waarbij ook mkb-bedrijven die geconfronteerd worden met die verhoging van het opstaptarief van 15% naar 19% enigszins tegemoetgekomen worden.”
“Ja, en dat zie ik in de fase waarin we nu bij de behandeling van het Belastingplan zijn beland.”
“Collega Carola Schouten is inhoudelijk op alle vragen ingegaan die mevrouw Maatoug over het LIV heeft gesteld. Het gaat om 2023 en 2024. Het is altijd veel geld, maar het is in het totale pakket natuurlijk een relatief beperkt bedrag. Het is niet bedoeld waar het LIV ooit voor was ingesteld. Het heeft, op verzoek van het mkb, puur een dempende werking op de verhoging van het wettelijk minimumloon. Dat zou aanvankelijk in drie porties gaan, maar gaat nu in één keer. Ik heb heel goed geluisterd naar wat mevrouw Maatoug gezegd heeft ten aanzien van het feit dat dit natuurlijk op het laatste moment gekomen is. Ik hoor overigens verder geen andere inhoudelijke bezwaren tegen de andere onderdelen, maar qua proces had dat niet zo gemoeten.”
“Dat heb ik al gezegd. Ik kan dat dus nog een keer zeggen tegen mevrouw Maatoug, maar ze heeft natuurlijk gewoon een punt als ze zegt dat die nota van wijziging te laat is gekomen — om me maar even zo uit te drukken — om daar een goede gedachtewisseling in het kader van een wetgevingsoverleg over te hebben.”
“Er werden structuren opgezet, zodat je kon gaan beleggen in zeeschepen en ik geloof zelfs in vliegtuigen. Dat hebben we afgesloten. Dus het is echt ook voor een korte periode. Het gaat geen extra geld kosten, omdat we het ook juist voor de korte periode met een begin- en een eindpunt doen. Het is eigenlijk alleen maar een liquiditeitsvoordeel voor het bedrijf.”
“Dank voor deze vraag. De willekeurige afschrijving is eigenlijk niks anders dan dat je in een bedrijfsmiddel investeert en dat je, in plaats van dat je er vijf jaar 20% over afschrijft, 50% in het eerste jaar mag doen. Dat kan ook als de afschrijvingstermijn twintig jaar is. Je mag het dus naar voren halen. Dat is een liquiditeitsvoordeel voor het bedrijf en het is een liquiditeitsnadeel voor de Staat, maar per saldo loopt het glad, tenzij bedrijven failliet gaan. Dat is het enige dat wij hebben opgenomen in de raming, namelijk een inschatting voor als bedrijven failliet zouden gaan in die korte tijd. Want we staan het maar voor een heel korte periode toe. Zo'n tijdelijke maatregel kan helpen in de economische situatie waarin we nu terecht zijn gekomen en terecht gaan komen. Dat is ook de ervaring na de financiële crisis. Toen is die voor twee jaar ingevoerd en toen is die nog met een jaar verlengd. We sluiten dus precies datgene wat de heer Nijboer zegt uit. Toen is er oneigenlijk gebruik van gemaakt.”
“MKB-Nederland daarentegen heeft op deze envelop wel een positieve reactie gegeven. Wij hebben gewoon onze eigen afwegingen gemaakt. De bedoeling van die terugsluis was dat het ook echt ten bate van het mkb zou komen. Ik wil hier dus echt het beeld weerspreken alsof wij in de houding staan als de Malietoren zou roepen. Maar goed overleg met degenen waarvoor het bedoeld is, daar is niks mis mee.”
“Ik denk echt dat de heer Nijboer het hier nu veel groter maakt dan het is. Laten we gewoon naar de 600 miljoen kijken. Ik herhaal het gewoon. Wij stelden voor: 50 miljoen WKR. Dat is gewoon gehandhaafd. Wij stelden voor: 150 miljoen EIA en MIA. Dat is gewoon gehandhaafd. Wij hebben de Aof voorgesteld. Die zit er voor 195 miljoen in. Ik hoor u niet over de tijdelijke willekeurige afschrijving. Wij vinden dat bij nader inzien een heel verstandige maatregel, want die terugsluis voor het mkb is met name bedoeld voor het mkb dat vennootschapsbelasting betaalt en dat nu liquiditeitsproblemen heeft. Dat heeft dan in ieder geval zo'n liquiditeitsvoordeel bij investeringen. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de indexatie van de Wbso. Het is absoluut niet zo dat wij, als VNO-NCW aan de bel trekt, opschrikken en zeggen: roept u maar en wij doen het zo. Sterker nog, met het hele pakket dat wij gemaakt hebben — dat heeft u ook aan de reactie van VNO-NCW kunnen zien — zijn ze helemaal niet tevreden. Ze waarschuwen voor de lastenstijging voor het bedrijfsleven.”
“Ja, die koppelingen.”
“Ik voel helemaal met de heer Alkaya mee in die zin dat ik even een déjà-vugevoel heb. Ik heb dat als lid van de Eerste Kamer ook een keer mogen meemaken, bij het Belastingplan 2016 en de bewuste wijziging in box 3 die zou ingaan op 1 januari 2017. U vraagt aan mij of dit niet fraai is en of dit niet meer gebeurt. Ik ga dit zeker weer mee terugnemen naar het kabinet, maar ik begrijp helemaal wat u zegt. Het had niet zo mogen gebeuren.”
“Het is een invulling van de mkb-envelop. Het grootste deel daarvan zit natuurlijk in het Belastingplan zelf. LIV is natuurlijk onderdeel van een wet die onder SZW valt. Strikt genomen zou je dat niet hoeven doen. Maar goed, die discussie zou je natuurlijk ook ten aanzien van de koppeling IO-AOW en kindgebonden budget kunnen voeren, waarover ook een motie is aangenomen in de Eerste Kamer. Dit is puur om pragmatische redenen gebeurd.”
“Het zou aanvankelijk in een derde, een derde, een derde gegaan zijn. Dat is met name een gedachtewisseling tussen de minister van IenW en ondergetekende geweest. Dus dat ten aanzien van het proces.”
“Dat wil zeggen: in de politieke vierhoek — dat is de minister-president, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en de minister van Economische Zaken — en met de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en ondergetekende. Er is gesproken over de meerdere wensen die op tafel lagen. Dat heeft geleid tot deze aanpassing van het pakket. Dat is in een relatief korte tijd gegaan. Is het fraai richting de Kamer? Nee, zeg ik ook in antwoord op de vraag die mevrouw Maatoug daarover heeft gesteld. Je krijgt dan op het aller-, allerlaatste moment zo'n nota van wijziging. We hebben ook nog een andere nota van wijziging gedaan. Dat had te maken met wat we in het kabinet hadden afgesproken, in afwijking van het coalitieakkoord, over het afschaffen van de vrijstelling op de bpm voor de bestelbusjes. Dan geef ik ook meteen even indirect antwoord op de vraag van de heer Stoffer waarom het zo lang heeft geduurd om zijn schriftelijke vragen te beantwoorden. Dat heeft er gewoon mee te maken dat wij in het kabinet toch behoorlijk hebben moeten kijken hoe we dit oplossen.”