Marnix van Rij
staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst · Netherlands
“Ik zal deze vraag doorgeleiden naar mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de bepalingen in de Gemeentewet die de ozb betreffen. Voorzitter. De heer De Jong vroeg: hoe wordt van een platform verwacht dat het de vraagprijs kent als de betaling bijvoorbeeld cash wordt afgedaan?”
“Dat wil zeggen: in de politieke vierhoek — dat is de minister-president, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en de minister van Economische Zaken — en met de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en ondergetekende. Er is gesproken over de meerdere wensen die op tafel lagen.”
“De invulling die wij daaraan hebben gegeven, stond ook in het Belastingplan zoals dat op Prinsjesdag is gepresenteerd: 50 miljoen voor de WKR, 150 miljoen voor EIA en MIA, de investeringsaftrekken, en het restantbedrag voor het Aof.”
“Dank voor deze vraag. Eerst reageer ik op uw laatste vragen. Ik heb zojuist uitgelegd waarom wij denken dat we met deze overbruggingsvariant voldoen aan het arrest van de Hoge Raad.”
“Voorzitter, dan zou ik nu door willen gaan naar het tweede thema: het mkb en het ondernemingsklimaat. De minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen is eigenlijk al ingegaan op de inhoudelijke vragen die door mevrouw Maatoug en de heer Nijboer zijn gesteld over het LIV. Mij rest nog een toelichting te geven op het proces.”
“Dat is juist, want er staat inderdaad in de brief dat de Belastingdienst een coördinerende rol heeft. Wat houdt dat in? Er moet inderdaad een register van persoonsgegevens komen, want deze huishoudens moeten namelijk echt geholpen worden. Bij de gemeente, de GBA, de woningbouwcorporatie of de vve is bekend wie er op die adressen woont.”
The complete record
Every one of 160 lines we hold for Marnix van Rij, in date order, each linked to its source. Free to read, in full, without an account. Page 4 of 4.
“Eigenlijk alleen de willekeurige afschrijving is daarvan overgenomen. Waarom? Omdat vanuit het bedrijfsleven gezegd is dat door de economische situatie waarin we nu zitten en waardoor met name het kleinere mkb problemen heeft, er fiscale maatregelen zouden kunnen zijn die liquiditeitsvoordelen hebben en die ook investeringen kunnen bevorderen. Wij hebben gekeken naar de willekeurige afschrijving. Structureel is dat veel te duur, maar voor een korte periode kun je dat doen. Het is een maatregel die ook na de financiële crisis is genomen. De tweede maatregel die op tafel kwam, was de indexatie van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk. De derde was een voorkeur: niet het hele budget aan het Aof — dat is dus 195 miljoen — maar uiteindelijk ook een stukje voor twee jaar, wat de minister heeft uitgelegd voor het LIV. Daar is uiteraard in het kabinet over gesproken.”
“De invulling die wij daaraan hebben gegeven, stond ook in het Belastingplan zoals dat op Prinsjesdag is gepresenteerd: 50 miljoen voor de WKR, 150 miljoen voor EIA en MIA, de investeringsaftrekken, en het restantbedrag voor het Aof. Vervolgens is er aan de bel getrokken door VNO-NCW en MKB-Nederland, die überhaupt niet tevreden waren over de lastenverzwaring — ik ga het nu niet hebben over onderwerpen die ook in het Belastingplan staan, zoals de verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief naar 31% op 1 januari 2024. Zij hebben zich gemeld bij het kabinet. Dat ging niet alleen hierover; zij hadden ook nog wel een aantal andere onderwerpen te bespreken. De coördinerend minister voor de sociale partners, dus ook voor de werkgevers, is de minister van Sociale Zaken. Uit dat overleg, waar ik overigens niet bij was, is toen voortgevloeid: als jullie kritiek hebben op het pakket en denken dat het op een betere manier terecht kan komen bij het mkb — dan heb ik het dus over de terugsluis — laat dan maar horen wat je ideeën zijn. Daar zijn toen een behoorlijk aantal ideeën op tafel gekomen.”
“Voorzitter, dan zou ik nu door willen gaan naar het tweede thema: het mkb en het ondernemingsklimaat. De minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen is eigenlijk al ingegaan op de inhoudelijke vragen die door mevrouw Maatoug en de heer Nijboer zijn gesteld over het LIV. Mij rest nog een toelichting te geven op het proces. Laat ik beginnen met de augustusbesluitvorming. Toen is door het kabinet besloten om het lage tarief in de vennootschapsbelasting van 15% naar 19% te verhogen. Er was al eerder, in april, afgesproken of voorgesteld om dat lage tarief niet over €390.000 maar over €200.000 te doen. Dat is een lastenverzwaring voor met name het mkb dat de onderneming uitoefent in de vorm van een vennootschap. Na Prinsjesdag bleek … Nee, sorry, eerst nog één stap terug. Per procentpunt levert dat 500 miljoen op, dus maal vier is dat 2 miljard. In augustus hebben we toen ook afgesproken: laten we 500 miljoen terugsluizen — structureel is dat 600 miljoen geworden — naar het mkb dat de onderneming drijft in de vorm van een vennootschap en dat vennootschapsbelastingplichtig is.”
“Dat is juist, want er staat inderdaad in de brief dat de Belastingdienst een coördinerende rol heeft. Wat houdt dat in? Er moet inderdaad een register van persoonsgegevens komen, want deze huishoudens moeten namelijk echt geholpen worden. Bij de gemeente, de GBA, de woningbouwcorporatie of de vve is bekend wie er op die adressen woont. Daar wordt aan gewerkt. Dat heeft de minister ook gezegd. Als dat in beeld is, kan de Belastingdienst een regeling sui generis maken, dus een specifieke regeling alleen voor deze doelgroep. En zoals de minister heeft gezegd: de bouwstenen daarvan zijn dat het in een bedrag ineens zal gaan. De Belastingdienst kan dan, nadat uiteraard de hoogte is vastgesteld op basis van de parameters, inderdaad voor de uitbetaling zorgen. Dat is de rol van de Belastingdienst, maar de Belastingdienst kan het dus niet alleen. Voor de input van die gegevens in het register heb je echt de gemeenten en de woningbouwcorporaties nodig. Daarnaast is dit natuurlijk een samenwerking van de ministeries van EZK én Financiën. Verder is de RVO er uiteraard ook bij betrokken.”
“Het is natuurlijk wel een onderdeel van een fundamentele herziening van de inkomstenbelasting en het belastingstelsel in combinatie met het toeslagenstelsel. Daar heeft zojuist collega De Vries ook al iets over gezegd. Voorzitter. Ik denk, maar als dat niet zo is dan hoor ik dat graag, dat de minister voor Klimaat en Energie voor zover op dit moment mogelijk antwoord heeft gegeven op de vragen over de blokverwarming. Ik kijk dan met name naar de Grinwis en de heer Omtzigt, maar de blokverwarming komt morgen natuurlijk ook weer terug in het debat dat hij met de Kamer heeft.”
“Dat is inmiddels dus wel verminderd, maar ook wij vinden deze marginale druk te hoog. Ik ga het nu niet herhalen, want de minister van Sociale Zaken heeft bij het wetgevingsoverleg nog een keer het onderscheid gemaakt tussen de marginale druk en de gemiddelde belastingdruk. De afbouw van inkomensafhankelijke regelingen leidt wel tot een hogere marginale druk voor de middeninkomens. De hoogste inkomens ontvangen deze inkomensafhankelijke regelingen minder of niet en daardoor ervaren zij natuurlijk wel de hoogste gemiddelde belastingdruk. Zij zijn het grootste deel van hun inkomen kwijt aan belasting. Juist daaraan meten we de progressiviteit van belastingstelsels. Dat is het draagkrachtbeginsel; de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Het kabinet heeft echt wel de wens om de marginale druk aan te pakken, zeker waar die de arbeidsparticipatie schaadt. Door de spanning tussen inkomensondersteuning én marginale druk is dit niet eenvoudig. Er zijn geen simpele oplossingen voorhanden. Ik hoorde dat ook gister van verschillende sprekers.”
“In het blokje toekomst kom ik straks nog te spreken over wat wij met name volgend jaar kunnen doen als het gaat om ideeën over het nieuwe belastingstelsel. Dan zal dit uiteraard een van de belangrijke onderwerpen zijn. De heer Omtzigt heeft het ook over de marginale druk gehad, met name voor de middeninkomens. Die is hoger dan voor de hoogste inkomens. Inkomensondersteuning wordt voorgesteld in een bonus of een toeslag buiten de fiscaliteit, want je weet anders niet wat je daaraan overhoudt. De heer Omtzigt was duidelijk over het wel of niet inzetten van een voltijdsbonus. Een klein deel van de huishoudens — dat is ook bij het wetgevend overleg aan de orde geweest — ervaart inderdaad een hele hoge marginale druk. Daarmee bagatelliseer ik het zeker niet, maar we krijgen ieder jaar het staatje van de marginale druk, met name uitgesplitst naar de eenverdieners met twee kinderen. Rond de €45.000 is dat 87%. Vanaf €33.000 is het 80% en hoger. Bij het wetgevend overleg heeft de heer Grinwis in herinnering geroepen dat het in 2017 nog veel hoger was, namelijk 180%.”
“Het omzetten van de afbouw naar tariefschijven maakt waar mogelijk het belastingstelsel inderdaad eenvoudiger en inzichtelijker. Ik wil wel benadrukken dat het niet eenvoudig is om deze heffingskorting onafhankelijk van het inkomen te maken. Het onafhankelijk maken van bijvoorbeeld de arbeidskorting kan gepaard gaan met flinke inkomenseffecten. Dat is het gevolg van hoe dit instrument de afgelopen twintig jaar gebruikt is. Ik heb al aangegeven dat wat mij betreft de grenzen van de inzet van dat instrument bereikt zijn. Voor belastingplichtigen met alleen arbeidsinkomen kan de arbeidskorting zonder inkomenseffect versleuteld worden in de tarieven, bijvoorbeeld door het introduceren van extra schijven. Voor belastingplichtigen met ook ander inkomen dan arbeidsinkomen kan dit echter niet. Ook voor de systemen van de Belastingdienst heeft dit weer grote gevolgen. Mocht uw Kamer aan concrete voorstellen denken, dan vraag ik u deze mee te nemen.”
“Graag, als dat mag. Voorzitter. Dan zou ik eerst heel kort willen beginnen met het uitspreken van mijn waardering voor hoe het wetgevend overleg gegaan is. Ik besef als geen ander dat het een gigantisch pakket is, zowel de eerste als de tweede keer, maar ook de hele voorbereiding. Het is een belastingpakket met negen wetsvoorstellen, en dan krijgen we ook nog op 21 november het wetsvoorstel over de solidariteitsheffing. Ik zal mijn best doen om alle vragen die in eerste termijn door de Kamer gesteld zijn te beantwoorden. Ik wil beginnen met het onderwerp marginale druk. Daarbij gaat het met name over de vraag van de heer Grinwis. Hij vroeg: is de staatssecretaris bereid om het stelsel de komende jaren begrijpelijker te maken door de effectieve marginale druk meer in lijn te brengen met de nominale belastingtarieven? Doordat de algemene heffingskorting en de arbeidskorting afbouwen met het inkomen, is het marginale belastingtarief nu inderdaad niet meer gelijk aan de schijftarieven in box 1. De heer Omtzigt en anderen wezen daar in eerste termijn al op.”
“Dank u wel, voorzitter. Ik zou zeven thema's willen behandelen. Allereerst wil ik het kort hebben over de koopkracht en marginale druk, want daar heeft de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen het immers al over gehad. Het tweede thema is het mkb en ondernemersklimaat. Het derde thema is vergroening en mobiliteit. Het vierde thema is alles rondom box 3. Het vijfde thema is het ibo vermogensverdeling. Het zesde thema is de toekomst. Daarna volgt nog een restcategorie overig.”